FEI Endurance World YJ & European Championship 2021 FEI Endurance World YJ & European Championship 2021 - EK WK Endurance Ermelo 2021

De geschiedenis van de Endurance sport | Deel 2

Geschiedenis van endurance - EK WK Endurance Ermelo 2021
Een "essay" geschreven door Jacob Melissen over de geschiedenis van de endurancesport.

Deel dit bericht...

Share on facebook
Share on linkedin
Share on twitter
Share on email

Geschreven door Jacob Melissen

Een verantwoording waarom de Endurance sport met paarden ten opzichte van het paard nog steeds een volledig te accepteren discipline is binnen de kaders van welzijn en welbevinden van het paard. 

Deel 2 - Het paard

In zijn brochure gaat van Overbeek ook in op het paard. Hij schrijft dat men het beste kan kiezen voor een volbloed als de afstand beperkt blijft tot 100 tot 150 Km. Een volbloed heeft snelheid en uithoudingsvermogen maar is voor langere afstanden minder geschikt. Dit omdat een volbloed sterk de nijging heeft om door te gaan waardoor het moeilijk is om vast te stellen wanneer het paard te ver gaat. Daarnaast reageren volbloeds sterk op veranderingen vooral temperatuur en voedsel. Over langere afstanden zijn halfbloeds de meest aangewezen soort. Fijn van bouw, huid, spieren en beenderstelsel, scherp omlijnde gewrichten en levendig in het opnemen van indrukken van buitenaf. Ieren worden als favoriet genoemd maar ook vele andere types paarden, ook met een onbekende pedigree, toonden uitstekende prestaties. Bedaarde complexie, een groot uithoudingsvermogen, evenals een sterk hart dat na grote inspanning snel het normale ritme herwint wordt bij uitstek gevonden bij het Ierse paard. Als een goed afstandspaard kiest men een paard niet jonger dan 8 jaar en niet ouder dan 14 jaar. Volgens de meeste schrijvers, schrijft van Overbeek, wordt een voorkeur gegeven aan een hoog in het bloed staande ruin, niet te groot, sterke rug en uiteraard goede benen en hoeven. Ook wordt een flinke kootvering aanbevolen vanwege de vering tijdens de gangen. Het paard moet goed afgericht zijn, licht in de hand en vierkant op de benen. Ook belangrijk. Het paard dient een grage eter te zijn die zijn voedsel goed verteert en daardoor goed in conditie kan worden gebracht en gehouden. Er waren diepgravende discussies of men diende te kiezen voor een draver of een goede galoppeur. Eerst dacht men dat een goede draver de voorkeur verdiende maar tijdens de wedstrijd Brussel – Oostende kwam men er proefondervindelijk achter dat de galoppeurs beter presteerden. Zo deed men ook de ervaring op dat de stap nauwelijks van belang bleek te zijn. Men ervoer in de praktijk ook dat het beter was na een uur rijden een absolute rust van vijf minuten in acht te nemen en na 20 tot 25 kilometer een rust van 20 tot 30 minuten. Heel goed voor ruiter en paard is het naast elkaar in looppas en een drafje te gaan. Stappen is wel heel belangrijk in de training.  De galop moet vlot maar liever nog snel zijn en de draf rustig en beheerst.

Men kwam er proefondervindelijk achter dat de galoppeurs beter presteerden. Stappen is wel heel belangrijk in de training. De galop moet vlot maar liever nog snel zijn en de draf rustig en beheerst.

Het paard diende op een lange of korte prestatierit terdege te worden voorbereid. Dat geldt ook voor de ruiter die niet alleen lang op zijn paard moet kunnen zitten maar ook flinke afstanden in looppas naast zijn dravende paard moet kunnen afleggen. Dat is de reden waarom bevelvoerders van de cavalerie veel belangstelling hadden voor de mentale en fysieke training van hun ruiters. Kijkend naar de trainingen waren er enkele elementen die steeds terugkeerden. Er werd geoefend op lange afstanden met het paard in stap aan de hand waarbij het mulle zand niet werd geschuwd. Ook werd het stroomopwaarts zwemmen sterk aanbevolen maar door het van ontbreken van geschikt water was deze vorm van training beperkt. Daarnaast werd ook getraind op harde wegen en natuurlijk werd de hoeveelheid voer tijdens de training geleidelijk opgevoerd.

EK WK Endurance 2021 Ermelo

Voor de mogelijkheid tot verzorging tijdens de rit werd een onderscheid gemaakt tussen lange en korte ritten. Op korte ritten was georganiseerde hulp niet toegestaan wel mocht het paard altijd worden gedrenkt. De training diende voldoende te zijn geweest waardoor deze verzorging overbodig werd geacht. Voor ritten langer dan een dag golden andere regels. Dan speelde ook de nachtrust mee.

Overmatige spierarbeid diende te worden vermeden want dat kon een opeenhoping van schadelijke stoffen in het bloed veroorzaken wat voor het paard ernstige gevolgen kon hebben. De nachtrust diende niet te lang te duren om stijfheid bij het paard te voorkomen. Tijdens afstandsritten diende men bij hoge temperaturen bedacht te zijn op een zonnesteek. De gang van het paard diende soepel maar vooral regelmatig te blijven. Spijsverteringsstoornissen kunnen fataal zijn. De hartslag van een paard ligt tussen de 28 en 40 slagen per minuut. De hartslag mag niet boven de 55 slagen per minuut komen en moet binnen 20 minuten aanmerkelijk zijn gedaald. De temperatuur mag niet boven de 40° komen. Dit is bedenkelijk hoog. Ook de voeten moeten niet te warm worden. De hoefwerking doet de temperatuur, vooral op harde wegen, oplopen. Regelmatig koeling is een noodzaak. Een paard diende goed beslagen te zijn voor het in een afstandsrit van start kon gaan. 

De hoefwerking doet de temperatuur oplopen. Regelmatig koelen is een noodzaak.

Op lange ritten is het nodig reserve ijzers mee te nemen. van belang is dat deze ijzers van te voren pas zijn gemaakt. Over de samenstelling van het materiaal waar het hoefijzer gemaakt diende te zijn was de nodige discussie. Zo kon men rond de vorige eeuwwisseling kiezen tussen onder andere een fijnkorrelijzer, een stalen ijzer of een hoefijzer gemaakt van gemengde materialen. Staal bleek sterk maar heeft als nadeel dat het glad wordt. Godin de Beaufort was van mening dat een combinatie van een fijnkorrelijzer voor en stalen ijzers achter zeer deugdelijk bleek. Het fijnkorrelijzer kon in de toon met ingelegd staal worden versterkt. Kalkoenen waren nodig tegen het uitglijden maar werden als een noodzakelijk kwaad gezien. Van belang was dat een afstandsruiter niet alleen een hoefijzer moest kunnen afnemen maar ook een van te voren pas gemaakt hoefijzer kunnen onder slaan. Het gebruik van inlegzolen van kurk of ander materiaal werd ontraden. Over de ravitaillering onderweg kon van Overbeek niet veel meer vinden dan ruwe schattingen. Om een paard in conditie te houden werden de navolgende hoeveelheden genoemd. 8 tot 10 kg. haver, 2 to 3 kg. hooi en 1 toe 2 kg melasse. Melasse werd gevoerd voor de suiker. Ook werd aanbevolen om onderweg water met suiker aan te bieden. Er wordt wel melding gemaakt van het voeren van 12 kg. haver per dag als men toe was aan trainingsritten van 6 tot 7 uur. Wel werd de nadruk steeds gelegd op het geleidelijk opvoeren van de hoeveelheid als mede een zelfde geleidelijk afbouw. Op kortere afstanden werd weinig voer gegeven slechts hooi of gras maar wel suikerwater. Daarnaast was het belangrijk om vooral s’avonds en s’nachts het voer te verstrekken.

Volgende week zaterdag in deel 3 van “De geschiedenis van de Endurance Sport”, geschreven door Jacob Melissen, lees je meer over de aanleiding tot de lange afstandsrit van Brussel naar Oostende.